Ariégeois 

 
Deze hond uit Ariège in Zuid-Frankrijk, soms de "Bastaardjachthond" genoemd, is ontstaan door een kruising van middelgrote Franse honden met de Bleu de Gascogne en de Gascon-saintongeois (beide meutehonden). De Ariégeois heeft de typische kenmerken van een meutehond, maar is korter, kleiner en lichter van gewicht. Het ras werd in 1907 door de Franse Gaston Phoebus Club erkend. Het ras was na de tweede wereld-oorlog bijna verdwenen, maar het werd met succes weer terug gefokt rond 1970.

Type hond
Lopende honden

Land van herkomst
Frankrijk

Oorspronkelijke naam
Ariégeois

Andere naam
Brak van de Ariége

Karakter

De Ariégois is stoer, vasthoudend, energiek maar niet erg snel. Hij is opgewekt, volgzaam, vriendelijk en rustig. Met zijn scherpe reukzin, voortreffelijke stem en vasthoudendheid is hij uitstekend bij de jacht, waarbij hij geconcentreerd blijft en initiatief toont. Als kleine jachthond is hij gespecialiseerd in haas, maar hij wordt ook gebruikt bij het opsporen van herten en wilde zwijnen. Hij voelt zich zeer thuis op het rotsachtige, droge terrein van Zuid-Frankrijk. Hij is makkelijk op te voeden.

Verzorging
De Ariégeois is niet geschikt voor het stadsleven en houdt er niet van om in een appartement opgesloten te zijn. Hij moet dagelijks beweging krijgen. Hij moet een of twee keer per week worden geborsteld en zijn oren moeten regelmatig gecontroleerd worden.

Gebruik
Jachthond.

 

Hoofd
Lang en fijnbesneden. Licht gewelfde schedel. Uitgesproken achterhoofdsknobbel. Lichte stop. Neusbrug recht of licht opgekromd, even lang als de schedel. Goed ontwikkelde neusspiegel. Strakke wangen. Strakke en dunne lippen.

Ogen
Wijd open, bruin.

Oren
Laag aangezet. Lang, dun, soepel en gevouwen.

Lichaam
Lang. Hals met lichte botten, lang en licht gewelfd. Borstkas lang, middelbreed. Ribben normaal gewelfd. Lendenen stevig bevestigd, licht gewelfd. Vlakke flank. Licht opgetrokken buiklijn. Zeer gespierde, vlakke rug. Vrij vlakke croupe.

Ledematen
Stevige benen. Lange, ovale hazenvoeten met dichte tenen en zwarte voetzolen en nagels.

Staart
Hangend tot het sprong-gewricht. Dun aan het uiteinde, opgewekt sabel-vormig gedragen.

Vacht
Kort, fijn en dicht.

Kleur
Wit met goed gedefinieerde zwarte vlekken. Lichte tan aftekeningen op de wangen en boven de ogen.

Schofthoogte
Reu: 52 tot 58 cm. Teef: 50 tot 56 cm.

Gewicht
Ongeveer 30 kg.