Basset Artésien Normand 

 
De Basset Artésien Normand werd in de negentiende eeuw ontwikkeld door twee beroemde fokkers, Louis Lane en Graaf Le Coulteux de Canteleu, uit de Basset Normand. De Basset Normand had kromme voorbenen en was zwaarder, langzamer en minder actief dan de Basset Artois, een afstammeling van de grote Chien d'Artois. De Basset Artésien Normand werd met succes in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten geïntroduceerd toen het ras in Frankrijk populair werd. De eerste standaard werd in 1898 geschreven en gewijzigd in 1910 en 1924. Een Basset Artésien Normand club werd in 1927 opgericht. Lange tijd was dit ras het populairste van de Bassethonden. Tegenwoordig is hij minder populair als jachthond maar wordt hij meer gewaardeerd als gezelschapshond.

Type hond
Lopende honden

Land van herkomst
Frankrijk

Oorspronkelijke naam
Basset Artésien Normand

Andere naam
Geen

Karakter
Deze stoere en moedige hond met een groot uithoudingsvermogen is actief en vindingrijk. Hij kan het dichtste gewas binnendringen, maar al te ruig terrein moet worden vermeden vanwege zijn korte benen. Met zijn zeer scherpe reukvermogen en geweldige stem spoort hij het wild op en drijft het voort, vol vertrouwen en zonder zich te haasten. Hij jaagt op klein wild alleen of in meutes. Hij is uitstekend voor konijn en haas en kan ook dienen voor de jacht op vos en wild zwijn. Hij is rustig, opgewekt, vriendelijk en aanhankelijk, en is daardoor een aangenaam gezelschap. Hij heeft een consequente opvoeding nodig, want hij is koppig en vasthoudend.

Verzorging
De Basset Artésien Normand is een van de weinige speurhonden die binnenshuis kan leven, maar hij heeft niettemin veel ruimte en beweging nodig. Hij moet ook regelmatig geborsteld worden en zijn oren moeten geregeld worden gecontroleerd.

Gebruik
Jachthond. Gezelschapshond. 

 

Hoofd
Botachtig voorkomen. Gewelfde schedel met uitge-sproken achterhoofdsknobbel. Duidelijke stop. Licht gebogen neusbrug. Wangen met één of twee plooien. Bovenlip bedekt onderlip vrijwel geheel.

Ogen
Groot, ovaal en donker. Bindvlies van het onderste ooglid soms zichtbaar. Rustige, vriendelijke uitdrukking.

Oren
Zo laag mogelijk aangezet, smal aan de basis, goed gedraaid (kurkertrekkervormig), zeer lang, soepel, dun en in een punt eindigend.

Lichaam
Lang in verhouding tot de hoogte. Vrij lange hals met licht keelhuid. Lange borstkas, ovaal in doorsnede. Volle flanken. Licht gewelfde lendenen. Brede en vlakke rug. Afgeronde croupe.

Ledematen
Korte, halfkromme voorbenen met huidplooien op de polsen.

Staart
Vrij lang, dik aan de basis en smaller toelopend naar het uiteinde. Als een sabel gedragen, nooit op de rug vallend.

Vacht
Vlak liggend, kort en dicht, maar niet te fijn.

Kleur
- Driekleurig: geelbruin met witte en zwarte mantel. Hoofd voornamelijk met roodachtig bruin bedekt. - Tweekleurig: geelbruin (fawn) en Wit.

Schofthoogte
30 tot 36 cm.

Gewicht
15 tot 20 kg.