Beagle 

 
Dit zeer oude Engelse ras werd in de derde eeuw door de Schotse bard (= soort minstreel) Ossian genoemd. Beagles waren zeer gewaardeerd tijdens het bewind van Henry VIII en Elizabeth I. In die tijd werden er drie variëteiten beschreven: - de Zuidelijke Beagle, de grootste (45 cm, zwart en wit); - de Noordelijke Beagle, middelgroot (< 35cm); en "de Kleine Beagle" (minder dan 20 cm), ook wel de "Zingende Beagle" genoemd, vanwege zijn melodieuze stem. Beagles werden voor het eerst rond 1860 in Frankrijk geïntroduceerd, en in 1914 werd een Franse Beagle club opgericht. Hij is geschikt voor allerlei verschillende soorten eigenaars, en hij is de populairste jachthond ter wereld geworden. Hij wordt gewaardeerd om zijn geringe formaat, evenwichtig humeur, veelzijdigheid, effectiviteit en snelheid.

Type hond
Lopende honden

Land van herkomst
Groot-Brittannië

Oorspronkelijke naam
Beagle

Andere naam
Geen

Karakter
Volgens de standaard is de Beagle een vrolijke en dappere hond die zeer actief, energiek en vastbesloten is. Hij is snel, intelligent en evenwichtig van humeur. Hij is ook moedig, stoer en zeer snel, met een luide stem en een scherpe neus. Hij is enthousiast en effectief op het spoor, waarbij hij zich vaak laat horen. Hij kan alleen werken, in paren of in meutes. Deze kleine en veelzijdige meutehond jaagt op haas, konijn, vos, hert en wild zwijn. In Engeland wordt hij alleen gebruikt voor "beagling", de jacht op hazen. Hij is aanhankelijk en goedmoedig, en daardoor een uitstekende gezelschaps-hond voor de familie. Hij heeft een consequente opvoeding nodig.

Verzorging
De Beagle kan zich aan het stadsleven aanpassen, maar hij heeft veel ruimte nodig om stoom te kunnen afblazen. Hij moet één of twee keer per week worden geborsteld, en er moet regelmatig aandacht worden besteed aan zijn oren.

Gebruik
Jachthond. Gezelschapshond. 

 

Hoofd
Krachtig, maar niet zwaar, zonder rimpels of plooien. Licht gewelfde schedel. Niet opvallende achterhoofds-knobbel. Duidelijke stop. Rechte neusbrug. Sterke kaken. Vrij korte snuit. Lippen enigszins hangend. Brede neus.

Ogen
Donkerbruin of lichtbruin, vrij groot, vrij ver uit elkaar met een vriendelijke uitdrukking.

Oren
Laag aangezet, lang en dun. Afgeronde punten. Hangen tegen de wangen.

Lichaam
Compact, waardig zonder zwaar te zijn. Vrij lange hals met lichte keelhuid. Brede en diepe borst. Goed gewelfde ribben. Korte en krachtige lendenen. Licht opgetrokken buiklijn. Vlakke en gespierde rug.

Ledematen
Rechte voorbenen, goed onder het lichaam geplaatst, ronde botstructuur. Gespierde en krachtige dijen. Ronde of iets lange voeten met stevige, gesloten tenen en compacte voetzolen.

Staart
Dik, middellang, hoog aangezet en opgewekt gedragen. Goed behaard, vooral aan de onderzijde van de punt.

Vacht
Kort, dicht en sterk.

Kleur
Alle erkende brakkenkleuren, behalve leverkleurig. "Drie-kleurig" (wit, zwart en geelbruin): witte snuit en staartpunt. "Tweekleurig": wit en bruingeel (fawn), citroengeel en tan.

Schofthoogte
33 tot 40 cm.

Gewicht
15 tot 20 kg.