Chow Chow Langhaar 


De Chow Chow (in zijn geboorteland Chou, "jachthond", genoemd) is al meer dan twee duizend jaar populair in China. De Hunnen, Mongolen en Tartaren gebruikten het ras tijdens de oorlog voor de jacht en als waakhond. Deze hond met bontvacht werd soms gegeten (chow betekent "voedsel") en zijn bont werd voor kleding gebruikt. Het ras verscheen voor het eerst in 1865 in Europa toen Koningin Victoria een prachtig exemplaar werd aangeboden. Selectief fokken begon in Engeland in 1887 in een poging een meer sociale Chow Chow te ontwikkelen. Het ras werd door de Kennel Club in 1894 erkend. Het wordt nu als een luxe gezelschapshond gezien.

Type hond
Aziatische Keeshonden en soortgelijken

Land van herkomst
China

Oorspronkelijke naam
Chou

Andere naam
Chow Chow, De Chow

Karakter
Deze krachtige, moedige, onafhankelijke en rustige hond heeft een sterke, gereserveerde persoonlijkheid. De Chow Chow blaft zelden en is niet erg actief. Hij vormt een sterke band met zijn baas, maar hij is nogal afstandelijk en niet extravert. Hij is zeer argwanend tegenover vreemden, en is daardoor een uitstekende waakhond. Hij is agressief ten opzichte van andere honden. Consequente, maar geduldige zachtaardige opvoeding moet al op zeer jonge leeftijd beginnen.

Verzorging
De Chow Chow kan zich aan het stadsleven aanpassen, mist hij de kans krijgt dagelijks veel te lopen. Dagelijks borstelen en kammen is nodig voor deze zeer verzorgende hond. Vaker en stevig borstelen is aan te bevelen tijdens de seizoensrui. De Chow Chow heeft er een hekel aan om vastgelegd te worden en kan slecht tegen warmte.

Gebruik
Jachthond. Trekhond. Vee- en schapenhoeder. Gezelschapshond.

 

Hoofd
Groot. Platte, brede schedel. Geen uitgesproken stop. Brede snuit. Grote neusspiegel, de kleur is in overeen-stemming met de vachtkleur. Tong, gehemelte en lippen zijn blauwzwart. Zwart tandvlees.

Ogen
Amandelvormig, vrij klein. Donker. Blauwe en geelbruine soorten kunnen ogen in de kleur van de vacht hebben.

Oren
Klein, dik, ver uit elkaar. Strak omhoog en naar voren gericht, waardoor het gezicht de karakteristieke fronsende uitdrukking krijgt (= "scowl").

Lichaam
Evenwichtige verhoudingen. Sterke, volle hals. Brede borstkas. Krachtige lendenen. Korte, horizontale, sterke rug.

Ledematen
Krachtige benen met zware botten. Kniegewricht heeft geringe hoeking, waardoor de karakteristieke steltachtige manier van lopen ont-staat. Kleine, ronde kattenvoeten.

Staart
Hoog aangezet en over de rug gedragen.

Vacht
Zeer weelderig, dicht, recht, grof en uitstaand; bijzonder dik rond de hals (manen of kraag) en op de achterkant van de dijen (broek). Dichte, wollige ondervacht.

Kleur
Eenkleurig zwart, rood, blauw, bruingeel, crême of wit, vaak in meer tinten maar nooit met vlekken of veelkleurig. Onderkant van de staart en romp zijn vaak lichter van kleur.

Schofthoogte
Reu: 48 tot 56 cm. Teef: 46 tot 51 cm.

Gewicht
Reu: 20 tot 25 kg. Teef: 18 tot 20 kg.