Dandie Dinmont Terriër 


Zijn eerste sporen vinden we in de achttiende eeuw. Hij komt waarschijnlijk voort uit een kruising tussen een oude Schotse Terriër, de Bedlington Terriër en misschien de Otterhound. Walter Scott maakte hem beroemd in zijn roman 'Guy Mannering' (1815) waarin de held, een landbouwer Dandie Dinmont genaamd, een meute Basset Terriërs bezat. Het ras wordt sinds die tijd de Dandie Dinmont Terriër genoemd. Rond 1820 werd de Dandie Dinmont Terriër selectief gefokt door de Schotse landbouwer J. Davidson. De eerste club werd in 1875 gecreëerd. Met een verleden als geduchte rattenvanger is hij nu een aangename gezelschapshond geworden.

Type hond
Kleine Terriërs

Land van herkomst
Groot-Brittannië

Oorspronkelijke naam
Dandie Dinmont Terriër

Andere naam
De Dandie

Karakter
De Dandie Dinmont Terriër is robuust, levendig, moedig, onvermoeibaar, temperament- vol, onafhankelijk, vastberaden en soms koppig. Hij is gevoelig en vriendelijk, kortom een goede gezel. De Dandie Dinmont Terriër jaagt op ongedierte (zoals knaagdieren, das, bunzing en wezel). Hij is ook een goede waker en heeft een forse blaf. Hij moet consequent opgevoed worden.

Verzorging
De Dandie Dinmont Terriër kan in een appartement leven op voorwaarde dat hij dagelijks lange wandelingen kan maken. Twee tot drie maal per week borstelen volstaat. Hij moet tweemaal per jaar getrimd worden.

Gebruik
Jachthond. Gezelschapshond. 

 

Hoofd
Stevig gebouwd, fors, met zijdeachtige, zeer zachte haren bedekt. Brede schedel. Bol voorhoofd. Hoge en sterke snuit. Krachtige kaken. Sterk ontwikkelde kaakspieren.


Ogen
Groot, rond, wijd uit elkaar, donker hazelnootkleurig.

Oren
Laag aangezet, afhangend tot tegen de wangen. De lengte varieert van 7.5-10 cm. Hun kleur is in harmonie met de vachtkleur. Donker bij een peperkleurige vacht, donker mosterdkleurig bij een mosterdkleurige vacht.

Lichaam
Lang, laag. Erg gespierde, sterke hals. Goed gewelfde ribben. Vrij lage rug (ter hoogte van de schouders). Goed gespierd. Goed ontwikkelde borstkas.

Ledematen
Kort, erg gespierd. Stevig beenderstelsel. De achterpoten zijn iets langer dan de voorpoten. Ronde voeten.

Staart
Tamelijk kort (20-25 cm), vrij breed aan de basis maar smaller naar het uiteinde toe. Gedragen in een boog zoals van een kromzwaard.

Vacht
Lang, stug. Geeft een ruige indruk. De voorpoten zijn bevederd. Zachte, plukkige ondervacht.

Kleur
Peperkleurig: gaat van zwart via donkerblauw naar licht zilvergrijs. De ledematen vertonen een kleur gaande van een intens tan kleurig naar een bleke wildkleur. Weelderige zilverwitte kuif. Mosterdkleurig: gaat van bruinrood naar bleek wildkleur. De ledematen en de voeten zijn iets donkerder gekleurd dan de kop. Weelderige crêmekleurige kuif. Witte voeten zijn te ongewenst bij de twee kleuren.

Schofthoogte
25-30 cm.

Gewicht
8-11 kg.