Galgo Español 


Deze Windhond was in de klassieke Oudheid al bekend bij de Romeinen, maar zijn verblijf in Spanje dateert nog van voor dit tijdperk. Werd hij ingevoerd door de Feniciërs of door de Kelten? Sommigen denken dat de Galgo (Spaans voor Windhond) afstamt van de Sloughi, die in de negende eeuw door de Moren naar Spanje is gebracht. Hij was erg geliefd bij de Spaanse adel en werd vooral gebruikt voor de hondenrennen, waar hij kleiner en massiever was dan de Greyhound. Om snellere exemplaren te fokken, werd hij gekruist met de Greyhound, waardoor een Engels-Spaanse variëteit ontstond. De Galgo Español werd in de elfde, twaalfde en dertiende de eeuw in groten getale uitgevoerd naar met name Ierland en Engeland. Hij heeft mogelijk bijgedragen aan de ontwikkeling van de Greyhound. De Galgo Español wordt nog veel gebruikt door de Spaanse jagers, maar komt in de rest van Europa niet veel voor.

Type hond
Kortharige Windhonden

Land van herkomst
Spanje

Oorspronkelijke naam
Galgo Español

Andere naam
Galgo, Spaanse Windhond

Karakter
Galgo Español is sterk, robuust, actief en zeer standvastig. Hij jaagt voornamelijk op haas, maar ook op vos en everzwijn. Zijn reukvermogen is maar matig. Hij heeft een rustig temperament en is erg aan zijn baas gehecht. Het is de meest aanhankelijke en openhartige onder de windhonden. Hij moet met kalmte worden opgevoed.

Verzorging
Hij kan niet in een appartement worden gehouden. De Galgo Español wordt niet graag opgesloten. Hij heeft erg veel beweging nodig en moet regelmatig kunnen rennen. Regelmatig borstelen is voldoende.

Gebruik
Jachthond. Gezelschapshond.

 

Hoofd
Lang, smal, droog. Smalle schedel, stompe kegel profiel. Zeer weinig geprononceerde stop. Licht gewelfd neusbrug. Lange, smalle snuit. Fijn, zeer strakke lippen. Kleine, zwarte neusspiegel.

Ogen
Klein, amandelvormig, schuin geplaatst. Donker hazelnootbruin. Donkere oogleden.

Oren
Hoog aangezet, met een brede basis, driehoekig, met afgeronde punten. In rust worden ze "als een roos" tegen de schedel gedragen (rozenoren genaamd).

Lichaam
Sterk, iets rechthoekig. Lang, ovale, sterke hals. Niet erg brede maar ruime borst. Goed zichtbare ribben. Bijna rechte, lange rug. Lange, sterke, gewelfde lendenen. Lange, krachtige, gewelfde croupe. Zeer opgetrokken buiklijn.

Ledematen
Fijne voorbenen. Krachtige, goed gespierde achterbenen. Hazenvoeten. Gesloten tenen. Harde zoolkussentjes.

Staart
Laag aangezet, zeer lang, soepel, stevig aan de wortel en naar de punt smaller wordend. In rust hangt hij in een sikkel met een meer gemarkeerde bocht aan het uiteinde, lateraal (naar opzij) gebogen.

Vacht
Kort, zeer fijn, glad, dicht. Iets langer op het achtergedeelte van het dijbeen. Er is een variëteit met eenmiddellange ruwe vacht, met baard-, snor- en wenkbrauwvorming en een kuif op de kop.

Kleur
Alle kleuren zijn toegestaan. De meest kenmerkende, in volgorde van voorkeur, zijn: reebruin en gestroomd, min of meer donkergekleurd en goed gepigmenteerd. Zwart. Zwart, donker en licht gevlekt, brandvos. Kaneel. Geel. Rood. Wit.

Schofthoogte
Reu: 62 tot 70 cm. Teef: 60 tot 68 cm.

Gewicht
Reu: 25 tot 30 kg. Teef: 20 tot 25 kg.