- Informatie >
- Honden >
- Rassen >
- I >
- Ierse Water Spaniel
Ierse Water Spaniel
Deze grootste onder de spaniels is ontstaan in de negentiende eeuw, uit kruisingen tussen Poedels, Ierse Setters en waarschijnlijk Barbets. Volgens sommigen is hij verwant aan de Portugese Waterhond. Hij werd voor het eerst tentoongesteld in 1862 in Birmingham. De eerste Club werd opgericht in 1890. Na eenglorierijke periode tussen de twee Wereldoorlogen, waarin hij werd geëxporteerd naar Frankrijk, de Verenigde Staten en Canada, komt hij tegenwoordig nog maar zelden voor en wordt met uitsterven bedreigd.
Type hond
Waterhonden
Land van herkomst
Ierland
Oorspronkelijke naam
Irish Water Spaniel
Andere naam
Ierse Water Spaniel
Karakter
Hij heeft groot uithoudings-vermogen, is dynamisch, actief, levendig, vasthoudend en heeft een zeer fijn reukvermogen. Hij is bijzonder geschikt voor de jacht op wilde vogels (zoals eenden). Hij voelt zich zowel thuis in het struikgewas als in het water. Hij speurt gehaast en snel. Hij blaft niet op het wild. Voor sommigen kan hij heel lief en vriendelijk zijn, maar hij heeft toch vaak een moeilijk karakter. Hij moet consequent worden opgevoed.
Verzorging
Hij heeft veel ruimte en beweging nodig. Twee keer per week kammen is noodzakelijk. De oren moeten regelmatig gecontroleerd worden.
Gebruik
Jachthond.
Hoofd
Sterk, maar langgerekt. Gewelfde schedel, bedekt met kuif van lange krullen in slierten, gezicht glad. Geleidelijke stop. Lange, sterke, vierkante snuit. Donker leverkleurige neusspiegel.
Ogen
Middel- tot donkerbruin, amberkleurig.
Oren
Laag aangezet, zeer lang, tegen de wangen hangend, bedekt met lange gedraaide krullen.
Lichaam
Compact. Sterke, vrij lange hals. Brede borst. Goed naar achter gedragen ribben. Korte, brede rug. Diepe, brede lendenen.
Ledematen
Stevige botten. Grote, bijna ronde voeten.
Staart
Laag aangezet, kort, recht, dik aan de basis en naar de punt dunner wordend. Recht gedragen, onder het niveau van de rug. Bij de basis dient acht tot tien centimeter te zijn bedekt met dichte krullen, die plotseling ophouden. De rest is kaal of bedekt met fijne rechte haren.
Vacht
Dikke, dichte vaste kroeskrullen. Vettige haren. Bevedering aan de benen.
Kleur
Donker leverkleurig met een voor het ras kenmerkende paarsachtige of fluweelachtige schijn, ook wel roodbruin genoemd.
Schofthoogte
Reu: 53 tot 58 cm. Teef: 51 tot 56 cm.
Gewicht
22 tot 26 kg.


