Italiaanse Windhond 


Dit zeer oude ras stamt mogelijk af van de Egyptische Windhond. Hij arriveerde rond de vijfde eeuw voor Christus via Griekenland in Italië. Hij staat veelvuldig afgebeeld op Griekse vazen en mengvaten. Ten tijde van het Romeinse Keizerrijk en de Middeleeuwen was het ras al goed vertegenwoordigd, maar zijn populariteit was het grootst tijdens de Renaissance, aan het hof van de adel. Men treft de Italiaanse Windhond regelmatig aan op schilderijen van grote Italiaanse en andere meesters. Deze hond was geliefd bij de groten der aarde, van François I tot Frédéric la Grand. Hierna is hij een beetje in de vergetelheid geraakt wegens een degeneratie van het ras doordat men steeds kleinere honden ging fokken. Na de Tweede Wereldoorlog is het ras nieuw leven ingeblazen en heeft hij zijn vroegere kenmerken weer hervonden. In 1968 is een rasstandaard opgesteld.

Type hond
Kortharige Windhonden

Land van herkomst
Italië

Oorspronkelijke naam
Piccolo Levriero Italiano

Andere naam
Italiaanse Windhond, Italiaans Windhondje, Italiaantje

Karakter
Deze vaak door opwinding beverige miniatuur Greyhound is een levendige, dynamische, standvastige, lenige hond, ondanks zijn vaak wat tengere en fragiele voorkomen. Hij jaagt graag op klein wild (zoals konijn en haas). Hij is aanhankelijk, gevoelig, erg aanhalerig, vrolijk, speels, kortom een charmant gezelschap. Hij is stil en gereserveerd en terughoudend tegenover vreemden. Hij moet consequent, maar tevens met kalmte worden opgevoed.

Verzorging
Hij past zich aan het leven in de stad aan, maar hij moet zich wel kunnen uitleven. Hij is niet graag alleen. Hij kan niet goed tegen kou en regen. Regelmatig borstelen is aan te bevelen.

Gebruik
Gezelschapshond.

 

Hoofd
Langgerekt, smal. Platte schedel. Zeer weinig gemarkeerde stop. Spitse snuit. Strakke wangen. Fijne lippen.

Ogen
Groot, donkergekleurd. Donker gepigmenteerde oogranden.

Oren
Hoog aangezet, klein. Over zichzelf heen gevouwen en naar achteren in de nek en bovenkant hals gedragen.

Lichaam
Vierkant. kegelvormige hals zonder keelhuid. Tamelijk geprononceerde schoft. Diepe, smalle borst. Gewelfde rug. Sterk afhangende, brede, gespierde croupe.

Ledematen
Fijn, droge ledematen. Nagenoeg ovale, kleine voeten. Gesloten, gewelfde tenen. Gepigmenteerde zoolkussentjes.

Staart
Laag aangezet, fijn, ook aan de wortel, geleidelijk smaller wordend naar de punt. De eerste helft laag en recht gedragen, terwijl de tweede helft gebogen is. Gladde haren.

Vacht
Glad en fijn. Dicht in de winter.

Kleur
Effen of zwart, grijs, donkergrijs, leisteen en geel in alle mogelijke nuances. Wit is alleen toegestaan op de borstkas en de voeten.

Schofthoogte
32 tot 38 cm.

Gewicht
Maximaal 5 kg.