Samojeed 


Dit Keeshonden-ras uit de poolstreken stamt rechtstreeks af van de honden die de Samojeedse stammen op hun trektochten begeleidde. De Samojeed is één van de oudste Siberische rassen. De Samojeden gebruikten deze honden om hun kudden te bewaken en om op beer en walrus te jagen. De eerste Samojeden kwamen rond 1890 in Groot-Brittannië aan. Robert Scott, één van de vroege poolreizigers, bracht het ras onder de aandacht van de wereld, waarbij hij liet zien hoe deze honden zware lasten over grote afstanden konden trekken. Het ras begon zich toen over de wereld te verspreiden.

Type hond
Sledehonden

Land van herkomst
Noord Europese en een gedeelte van het Aziatische Poolgebied

Oorspronkelijke naam
Samoiedskaïa Sabaka

Andere naam
Samojeed, Sam, Laika Samojedskaja

Karakter
De Samojeed is rustiek, robuust, energiek en actief. Hij is onafhankelijk, zelfverzekerd en kalm. Deze hond is een aanhankelijke, rustige gezelschapshond. De Samojeed blaft veel, waardoor hij een goede waakhond is. Opvoeding moet consequent zijn, maar met geduld en liefhebbende aandacht uitgevoerd.

Verzorging
De Samojeed moet niet in huis worden opgesloten. Hij heeft ruimte nodig en moet kunnen rennen. Het dagelijks borstelen van de hond is nodig. Vaker en stevig borstelen is aan te bevelen tijdens de seizoensrui.

Gebruik
Jachthond (o.a. walrus). Sledehond. Waakhond. Gezelschapshond. 

 

Hoofd
Krachtig. Wigvormige schedel. Rechte neusbrug. Naar de neus toe geleidelijk toelopende, sterke, diepe snuit. Strakke zwarte lippen. Lippen bij de hoeken opgekruld, waardoor de "samojeed-glimlach" ontstaat.

Ogen
Amandelvormig, schuin in de schedel geplaatst ver uit elkaar. Donkerbruin. Zwarte ooglidranden.

Oren
Hoog aangezet, relatief smal, driehoekig, beweeglijk en rechtop gedragen.

Lichaam
Robuust, compact en gespierd. Sterke hals, die rechtop wordt gedragen. Diepe brede borstkas. Buik-lijn matig opgetrokken. Sterke, gespierde, licht hellende croupe. Rechte, gespierde rug.

Ledematen
Ovale voeten met licht gespreide, gewelfde tenen. Gespierde benen met flinke botten.

Staart
Gekromd over de rug gedragen, in het midden of opzij. Kan ook laag gedragen worden. Rijkelijk behaard.

Vacht
Overvloedig, zwaar, dicht, flexibel. Vormt kraag rond de hals en schouders (vooral bij de reu). Korter op de kop en de voorkant van de benen. Dichte, zachte, korte, compacte ondervacht.

Kleur
Wit, crèmekleurig of wit en biscuit (witte ondergrond met lichtbeige aftekeningen).

Schofthoogte
Reu: ongeveer 57 cm. Teef: ongeveer 53 cm.

Gewicht
Reu: 20 tot 30 kg. Teef: 17 tot 25 kg.