- Informatie >
- Honden >
- Rassen >
- T >
- Tibetaanse Terriër
Tibetaanse Terriër
Dit zeer oude ras, dat zowel doet denken aan een kleine Bobtail als aan de Lhasa Apso, vindt zijn oorsprong in Tibet, waar hij door de monniken werd gefokt. Hij werd beschouwd als heilig dier en tempelbewaker en werd waarlijk vereerd. Rond 1920 schonk een Tibetaanse prinses een koppel Tibetaanse Terriërs aan Dr. Greig, haar Engelse arts. Deze naar Engeland meegevoerde honden staan aan de oorsprong van de Europese lijn. In 1930 werd het ras officieel erkend. Hij komt in Europa nog niet veel voor.
Type hond
Tibetaanse honden
Land van herkomst
Tibet
Oorspronkelijke naam
Dokhi Apso
Andere naam
Tibetaanse Terriër, Tibetan Terrier, Darjeeling Terriër
Karakter
Hij is stevig, weerbestendig, sterk, moedig en levendig. Hij werd gebruikt voor het begeleiden van kudden. Het is geen echte terriër, want hij is nooit gebruikt voor de jacht. Hij is erg enthousiast en heeft veel temperament. Hij is onafhankelijk en enigs-zins koppig. Hij is zeer gehecht aan zijn baas en lief voor kinderen. Hij is waakzaam en terughoudend tegenover vreemden. Het is een waakhond die weinig blaft. Hij heeft een consequente opvoeding nodig.
Verzorging
Hij past zich goed aan het leven in een appartement aan. Hij is sportief, dus hij heeft veel beweging nodig. Dagelijks borstelen en kammen is noodzakelijk.
Gebruik
Gezelschapshond. Waakhond.
Hoofd
Middellang. Niet geheel platte schedel. Gemarkeerde stop. Sterke snuit. Goed ontwikkelde onderkaak, met een beetje baard. Zwarte neusspiegel.
Ogen
Groot, rond, donker bruin, met lange, voor de ogen hangende haren.
Oren
Niet te groot, V-vormig, afhangend maar niet dicht tegen de kop hangend, met zware bevedering.
Lichaam
Vierkant, compact, goed gespierd. Goed ontwikkelde ribben. Rechte rug. Korte, licht gewelfde lendenen. Horizontale croupe.
Ledematen
Goed gespierd. Grote, ronde voeten. Niet gewelfde tenen. Zwaar behaard.
Staart
Vrij hoog aangezet, middellang, vrolijk gedragen met een krul op de rug. Weelderig behaard.
Vacht
Overvloedig, lang, fijn, maar niet zijdeachtig of wollig. Recht of golvend, maar niet gekruld. Fijne, wollige ondervacht.
Kleur
Wit, goud, roomkleurig, grijs of rookkleurig, zwart, twee- en driekleurig. Chocolade en leverkleur (kastanjebruin) zijn ongewenst.
Schofthoogte
Reu: 35 tot 40 cm. Teef: iets kleiner.
Gewicht
8 tot 13 kg.


