- Informatie >
- Honden >
- Rassen >
- V >
- Vizsla Korthaar
Vizsla Korthaar
De Vizsla komt in twee variëteiten voor: - Kortharig (rövidszörü): dit is de oudste variëteit. Zijn voorouders zijn o.a. de Pannatonische brak, de Turkse Gele Hond en de Sloughi. De eerste exemplaren verschenen in het begin van de achttiende eeuw. Hij heeft ook bloed van andere jachthonden, zoals de Duitse Staande, in zich. Deze kortharige variëteit is van de twee de populairste in Frankrijk; hij werd in 1938 door de FCI erkend. - Draadharig (drotszörü): deze variëteit dateert van omstreeks 1930 en is waarschijnlijk het resultaat van kruisingen tussen de kortharige variëteit en de Duitse Staande Draadhaar. Zijn voorouders zijn onder andere de Weimaraner en de Transylvaanse Pointer. Onderling kruisen van de twee variëteiten is niet toegestaan.
Type hond
Continentale Pointers
Land van herkomst
Hongarije
Oorspronkelijke naam
Magyar Vizsla Rövidszörü Drotszörü
Andere naam
Vizsla Hongaarse Staande Hond
Karakter
Deze levendige, zeer veelzijdige hond met een uitstekende neus voelt zich thuis op ruig terrein en kan goed tegen warmte. Hij zoekt niet ver, maar geeft er de voorkeur aan om dicht bij zijn baas te blijven. Hij geeft nauwkeurig aan, apporteert goed en hij kan goed zwemmen. De kortharige variëteit heeft een snellere galop en geeft de voorkeur aan vlak terrein. De draadharige variëteit munt uit in de jacht op klein wild, zoals houtsnip, en wordt gebruikt om gewond groot wild op te sporen. Beide zijn evenwichtig en voelen zich goed thuis in een gezin. Ze hebben een consequente, maar vriendelijke opvoeding nodig.
Verzorging
Hij heeft ruimte en beweging nodig. Hij moet regelmatig worden geborsteld en zijn oren moeten geregeld worden gecontroleerd.
Gebruik
Jachthond. Gezelschapshond.
Hoofd
Fijnbesneden, waardig. Middelbrede, iets gewelfde schedel. Matige stop. Rechte neusbrug. Brede snuit. Goed ontwikkelde neusspiegel. Kastanjebruine, vrij strakkelippen.
Ogen
Enigszins ovaal, hoe donkerder hoe beter, in overeen-stemming met de kleur van de vacht. Bruine oogleden.
Oren
Middellang, vlak tegen de wangen hangend.
Lichaam
Vrij lang, maar krachtig. Middellange, gespierde, licht gebogen hals, zonder keelhuid. Duidelijke schoft. Middelbrede, diepe borstkas. Matig gewelfde ribben. Vlakke lendenen. Rechte, korte rug. Ietwat ronde croupe.
Ledematen
Lange, goed gespierde benen met stevige botten. Iets ovale voeten met sterke, gesloten tenen en leisteengrijze voetzolen.
Staart
Vrij laag aangezet, matig dik. Uiteinde iets omhoog gebogen. Indien nog gecoupeerd op een vierde. Indien nog gecoupeerd op een derde bij de draadharige variëteit.
Vacht
Kort, dicht, recht en ruw. Vlak liggend en meer zijdeachtig op de oren. Baard op de kin. Kort en stug op het hoofd. Dikke, harde wenkbrauwen. Hard en dicht op hals en romp, 2 tot 4 cm lang. Dichte ondervacht. Langer op de achterkant van de benen. Dicht en dik op de staart.
Kleur
Donkergeel of roodachtig geel. Kleine witte vlekken op borst en voeten zijn geen fouten.
Schofthoogte
Reu: 56 tot 61 cm. Teef: 52 tot 57 cm.
Gewicht
22 tot 30 kg.


