Akita 

 
De Akita werd in de provincie Akita op Honshu-eiland ontwikkeld. Eerst heette hij Akita Matagi (hond die op beren jaagt). Het is een middelgrote jachthond. De voorouders van de Akita waren misschien Chinese rassen die later met Mastiff en de Tosa werden gekruist. De Akita werd lange tijd als een jachthond op groot wild gebruikt, en voor hondengevechten. Het ras begon in de vergetelheid te raken, maar maakte een verbazingwekkende comeback toen het werd aangewezen als onderdeel van het natuurlijk erfgoed van Japan. De Akita, de grootste Japanse Keeshondensoort, wordt nu vrijwel alleen als gezelschapshond gebruikt. Deze grote Keeshond wordt ook in Europa en Amerika gewaardeerd, waar een grotere variëteit werd ontwikkeld die ongeveer 50 kg weegt.

Type hond
Aziatische Keeshonden en soortgelijken

Land van herkomst
Japan

Oorspronkelijke naam
Akita Inu

Andere naam
Akita Japanse, Akita

Karakter
Deze robuuste, krachtige en zeer moedige hond is onafhankelijk en trots, maar rustig. Hij is volgzaam, waardoor hij een uitstekend gezelschapshond is, makkelijk in de omgang. Deze buitengewone waak-hond is argwanend tegenover vreemden en altijd waakzaam, maar hij blaft zelden. De Akita heeft een alfa-persoonlijkheid en kan daarom moeilijk met andere honden samenleven. Consequente maar zachtaardige opvoeding is vereist.

Verzorging
Deze zeer sportieve hond kan zich alleen als huishond aanpassen als hij iedere dag veel beweging kan krijgt. Dagelijks borstelen is nodig. Extra vaak en stevig borstelen wordt tijdens seizoensrui aanbevolen.

Gebruik
Waakhond. Gebruikshond: politiehond, geleidehond, reddingshond. Gezelschapshond. 

 

Hoofd
Sterk. Breed voorhoofd. Opvallende stop met duidelijk zichtbare groef op het voorhoofd. Rechte neusbrug. Matig lange, sterke snuit. Strakke lippen.

Ogen
Klein, bijna driehoekig. Donkerbruin van kleur.

Oren
Klein, dik, driehoekig, met licht afgeronde punten. Rechtop en naar voren gericht.

Lichaam
Lang. Dikke, gespierde hals zonder keelhuid. Diepe borst. Ribben enigszins gewelfd. Buiklijn goed opgetrokken. Brede, gespierde lendenen. Rechte, stevige rug.

Ledematen
Dikke, ronde, compacte, gesloten, gewelfde voeten. Krachtige benen met zware botten.

Staart
Hoog aangezet. Dik Strak gekruld over de rug gedragen.

Vacht
Kort, hard, recht. langer op de schouders en romp. Nog langer op de staart. Dichte, zachte ondervacht.

Kleur
Rood, sesam (rood haar met zwarte punt), gestroomd en wit. Alle kleuren behalve de witte moeten urajiro zijn (witachtig haar op de zijkant van de snuit, op de wangen, onder de kaak, op de keel, voorborst, onderlijf, onderkant van de staart en binnenkant van de benen).

Schofthoogte
Reu: 67 cm (64 tot 70 cm). Teef: 61 cm (58 tot 64 cm).

Gewicht
30 tot 50 kg.