Appenzeller Sennenhond 

 
De Appenzeller Sennenhond is afkomstig uit het kanton Appenzell (oostelijk Zwitserland). De Appenzeller Sennenhond werd voor het eerst in 1853 omschreven in een werk waarin hij werd beschreven als een ' middelgrootte. veelkleurige, kortharige bouvier met een heldere stem' aangeduid. Hij stamt waarschijnlijk af van Tibetaanse Molossers en van arctische honden. Sinds 1898 wordt de Appenzeller Sennenhond als een zelfstandig ras gezien. De eerste rasstandaard werd door de grote promotor van dit ras, de boswachter Max Sieber, vastgelegd. De Zwitserse Appenzeller club werd in 1906 opgericht. De Appenzeller Sennenhond komt zelden buiten Zwitserland voor.

Type hond
Berghonden en Zwitserse Sennenhonden

Land van herkomst
Zwitserland

Oorspronkelijke naam
Appenzeller Sennenhund

Andere naam
Appenzeller Mountaindog,Appenzeller Sennenhond

Karakter
De Appenzeller Sennenhond is moedig, temperamentvol, robuust, zeer levendig en zelfverzekerd. Een hond die voor meerdere doeleinden geschikt is. Het is een aangename hond, hij is vriendelijk en zacht met zijn huisgenoten, maar. De Appenzeller Sennenhond is wantrouwend tegenover vreemden. En hij heeft een natuurlijk verdedigingsinstinct, wat hem tot een goede waakhond maakt. Hij werd in het verleden ook als trekhond en reddingshond gebruikt.

Verzorging
De Appenzeller Sennenhond is geen stadshond. Hij heeft veel ruimte en beweging nodig. Voor een goede vachtverzorging moet hij regelmatig geborsteld worden.

Gebruik
Hoeder van de kudde (zoals het verzamelen van de koeien). Trekhond (met name melkkarren). Gebruikshond (reddingswerk bij lawines, aardbevingen, etc.), speurhond. Waakhond. Gezelschapshond. 

 

Hoofd
Iets wigvormig. Onduidelijke stop. Rechte neusrug. Zwarte of kastanjebruine neus. Droge lippen.

Ogen
Klein, amandelvormig, donkerbruin tot kastanjebruin

Oren
Hoog aangezet, driehoekig, afhangend tot tegen het hoofd.

Lichaam
Robuust, compact. Sterke, droge hals. Stevige, rechte rug. Brede, diepe borstkas. Goed ontwikkelde borst. Korte croupe. Licht opgetrokken buiklijn.

Ledematen
Goed gespierd. Korte, goed gewelfde voeten. Gesloten tenen.

Staart
Hoog aangezet, stevig van een gemiddelde lengte, dicht behaard. Wanneer het dier in actie is wordt hij als een ring zijdelings of in het midden tegen de croupe gedragen.

Vacht
Kort, dik, vlak aanliggend. Dikke ondervacht

Kleur
Zwarte of havanna bruine achtergrond met symmetrische tan of witte aftekeningen. Tan aftekeningen boven de ogen, op de kaken, de borst en de ledematen. Witte bles, witte vlek van de kin tot op de borst. Witte aftekeningen op de vier voeten en op het uiteinde van de staart.

Schofthoogte
Reuen: 50-58 cm. Teven: 48-56 cm.

Gewicht
22-25 kg.